|
Mijn dier heeft suikerziekte (= Diabetes Mellitus), wat nu?
Uw huisdier heeft suikerziekte. Deze aandoening wordt veroorzaakt door een tekort aan insuline, wat invloed heeft op het bloedglucosegehalte (bloedsuikerspiegel) van uw hond of kat. Dit tekort moet dagelijks worden aangevuld. Daarom gaan we behandelen met injecties insuline op vaste tijdstippen met een tussentijd van 12 uur.
Aan de hand van het gewicht van uw dier hebben we de startdosering bepaald: ……. Eenheden (I.E.) insuline (Caninsulin®). Het flesje moet rechtop in de koelkast bewaard worden (niet in de deur). Voor gebruik het flesje zwenken (niet schudden!). Na aanprikken is de flacon 6 weken houdbaar.
Voeding
De glucose is afkomstig uit het voer dat uw huisdier eet. Hoet voer wordt door het spijsverteringsstelsel in kleine onderdelen afgebroken om het lichaam van energie te voorzien. Glucose is een van deze onderdelen en een belangrijke bron van energie. Het is van belang dat uw dier dagelijks één zelfde hoeveelheid voedsel van een zo constant mogelijke samenstelling krijgt. De dagelijkse hoeveelheid wordt verdeeld over 2 gelijke porties. Uw dier moet voor iedere insuline injectie een maaltijd krijgen. Als het dier niet wil eten mag slechts 1/3 van de normale insuline dosis worden toegediend. Om deze reden wordt insuline pas altijd na de maaltijd toegediend. Als een dier niet wil eten kan de dosis insuline worden terug gebracht. Als uw dier de vorige dag heeft gebraakt kan het verstandig zijn tot een half uur na de eerste maaltijd te wachten voordat de insuline wordt toegediend.
Te laag bloedsuikergehalte (hypoglycemie) De belangrijkste complicatie van patiënten met suikerziekte is een te laag bloedsuikergehalte. Insuline heeft een verlagend effect op het bloedsuikergehalte. Wanneer er meer insuline wordt toegediend dan nodig, kan het bloedsuikergehalte te laag worden.
Er zijn verschillende oorzaken voor het ontstaan van een te laag bloedsuikergehalte:
- toename van dagelijkse activiteit en/of opname van voedsel (daling behoefte aan insuline)
- alvleesklier maakt zelf weer insuline aan (daling behoefte aan insuline)
- braken of diarree, minder aanbod van suiker aan het bloed (daling behoefte aan insuline)
- fouten bij toediening van insuline
Bij een te laag bloedsuikergehalte krijgen de hersenen te weinig brandstof en dit kan levensbedreigend zijn. De verschijnselen van een hond met een te laag suikergehalte zijn:
- honger op onverwachte momenten
- onrustig of sloom
- trillen of rillen
- vreemde bewegingen
- diepe slaap, waaruit de hond slecht, of niet wakker te maken is
Wat te doen bij deze verschijnselen?
- geef direct een maaltijd
- als het dier niet meer in staat is een maaltijd te eten, moet zo snel mogelijk druivensuiker (op het mondslijmvlies) of druivensuikeroplossing (in de wangzak) worden gegeven, dosering ongeveer 1 gram per kg lichaamsgewicht.
Tip zorg dat er altijd een gepaste hoeveelheid druivensuiker bij bereik is, zodat u in geval van nood niet nog hoeft te wegen
Als er geen herstel optreedt, direct contact opnemen met de dierenarts. Als er wel herstel optreedt, uw dier alsnog een maaltijd aanbieden en daarna met regelmatige tussenpozen een maaltijd geven, voor de volgende insuline injectie met de dierenarts overleggen over de hoeveelheid insuline die moet worden toegediend.
Het vinden van de juiste dosis Door op vaste tijdstippen na insuline toediening het bloedsuikergehalte te meten kan de dierenarts of de desbetreffende dierenartsassistente zien of de dosis moet worden bijgesteld (regulatie). Dit houdt in dat het bloedsuikergehalte regelmatig moet worden gecontroleerd. De eerste controle vindt plaats 3 dagen nadat u bent gestart met insuline injecteren, 7 uur na de injectie. Soms is een dier niet gemakkelijk te reguleren. Om de oorzaak te vinden kan het nodig zijn om een dagcurve te maken. We moeten dan gedurende een dag het bloedsuikergehalte bepalen. Wij kunnen u, indien u dit wenst, leren zelf bloed te prikken om het bloedsuikergehalte te bepalen. De assistente zal u dit op een afgesproken tijdstip tijdens een consult leren.
Prognose Veel dieren met suikerziekte kunnen in een stabiele toestand worden gebracht. Desondanks blijven regelmatige controles en eventuele bijstellingen van de insuline dosis noodzakelijk. De verwachte overlevingsduur voor een goed gereguleerd dier is vergelijkbaar met die van een gezond dier.
|